direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bataviahaven 2015
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00056-OW01

Toelichting

De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 Inleiding

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Het gemeentebestuur van Lelystad actualiseert de geldende bestemmingsplannen. Daarbij sluit zij aan bij verschillende landelijke doelstellingen op het gebied van de actualisering, standaardisering en digitalisering van bestemmingsplannen. Vanuit de gemeentelijke praktijk is de wens uitgesproken om te komen tot actuele bestemmingsplannen, wat concreet inhoudt dat de planregels aan moeten sluiten bij de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het plangebied. Verder is het van belang dat de planregels van dit bestemmingsplan zowel qua inhoud als qua systematiek overeenkomen met de andere globale en flexibele bestemmingsplannen die in Lelystad (gaan) gelden.

Voor het gebied van het (voorheen) geldende bestemmingsplan Batavia Haven, dat op 9 augustus 2005 onherroepelijk is geworden, moet op grond van de Invoeringswet ruimtelijke ordening binnen 10 jaar na datum van het onherroepelijk worden van het plan een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, vervalt de bevoegdheid tot het heffen van leges voor door het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.

1.1.1 Ligging en begrenzing van het plangebied

De Batavia Haven (hierna: het plangebied) ligt aan de westelijke zijde van Lelystad. De begrenzing van het plangebied is gebaseerd op het (voorheen) geldende bestemmingsplan (zie ook 1.1.2).

De westzijde van het plangebied wordt voornamelijk gevormd door het water van het Markermeer (Oostvaardersdiep). De noordzijde wordt begrensd door de VOC-weg en de Museumweg, de oostzijde door de Houtribweg. De zuidzijde wordt begrensd door het Markermeer en de Saerdam.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0001.png"

Ligging plangebied

1.1.2 Geldend bestemmingsplan

Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt het geldende bestemmingsplan in één keer herzien en voorzien van een nieuwe juridisch-planologische regeling. Het gaat om het bestemmingsplan Batavia Haven (vastgesteld op 10 maart 2005).

1.2 Digitaal bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is volledig opgesteld als digitaal bestemmingsplan, zoals de wetgeving dat voorschrijft. Dit betekent dat de ruimtelijke verbeelding en de planregels van het bestemmingsplan volgens vaste afspraken zijn opgesteld. Deze afspraken zijn onder meer opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro).

Globaal en flexibel bestemmen

Het gemeentebestuur van Lelystad heeft in 2011 het besluit genomen om bestemmingsplannen globaler en flexibeler op te zetten. Hierbij wordt het mogelijk om functies uit te wisselen en wordt flexibeler omgegaan met bijvoorbeeld de afmetingen van gebouwen en bepaalde functies. Dit bestemmingsplan is volgens deze methode opgesteld.

1.3 Opbouw van de toelichting

Na deze inleiding volgt een beschrijving van Hoofdstuk 2 De huidige situatie waarin de bestaande situatie in het plangebied beschreven wordt. In Hoofdstuk 3 Beleidskader wordt het beleidskader weergegeven dat van toepassing is op het plangebied, het gaat hier om rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid. In Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten worden de milieu-aspecten beschreven die van toepassing zijn op het plangebied, waar nodig wordt een verantwoording gegeven hoe dit plan milieutechnisch ruimtelijk inpasbaar is, ook is de waterparagraaf in dit hoofdstuk opgenomen, hierin is ondermeer de 'watertoets' opgenomen. In Hoofdstuk 5 Planbeschrijving wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen. De toelichting wordt beëindigd met het Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid, daarin wordt een beschrijving gegeven van de economisch uitvoerbaarheid. Daarnaast wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven, dit betreft en de resultaten van het vooroverleg en van de terinzage legging van het ontwerp bestemmingsplan hier omschreven.

Hoofdstuk 2 De huidige situatie

Batavia Haven vormt een unieke plek in de kustlijn van Flevoland. Om dit te accentueren is de haven vergroot door ter plaatse de Oostvaardersdijk te verleggen en door de aanleg van een havendam, is een komvormige haven ontstaan, de stadshaven van Lelystad.

De haven vormt de thuishaven voor charterschepen en wordt als passantenhaven gebruikt. De haven is hierdoor zowel de centrale ruimte waar de bebouwing zich op oriënteert als het ruimtelijke accent in de lange kustlijn van de polder. De stoere grootschalige polderdijk voegt zich hier eenmalig naar de functie van het achterliggend gebied en het water en vouwt zich om het centrale motief: de stadshaven van Lelystad. Hiermee ontstaat een afwijking van het rechthoekige grid van Lelystad. Zodoende wordt het unieke van deze locatie nog meer geaccentueerd

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0002.png"

Ontwikkelingsvisie van Wissing / Krier

2.1 Ruimtelijke structuur

2.1.1 Verkeerstructuur

Er zijn verschillend verkeersstromen die in en rond het gebied lopen. Het gaat om verkeer ten behoeve van de deelgebieden Suyderseeboulevard, Batavia Haven en Batavia Stad. In 2005 is voor deze verkeersstromen een verkeerscirculatieplan opgesteld. Hierin werd een verkeersstructuur beschreven waarin onderscheid wordt gemaakt tussen het verkeer ten behoeve van kort parkeren enerzijds en het verkeer ten behoeve van lang parkeren anderzijds. Dit verkeerscirculatieplan is grotendeels nog steeds van kracht. Hieronder wordt de huidige en toekomstige circulatie beschreven zoals deze wenselijk is.

Het verkeer voor Batavia Stad (kort parkeren) wordt vroegtijdig (ter hoogte van de Westerdreef en Houtribdreef) door middel van bewegwijzering geleid naar de turborotonde Houtribweg-Markerwaarddijk en aansluitend naar het parkeerterrein aan de oostkant van Bataviastad. Het vertrekkende autoverkeer moet via dezelfde weg terug.

Verkeer voor Batavia Haven (kort en lang parkeren) wordt op dezelfde locaties geleid naar de Museumweg. Op de Museumweg wordt in de eerste plaats het langparkeerterrein duidelijk aangegeven (rechtsaf op de rotonde Voc-weg - Museumweg). Bezoekers van bewoners en bewoners zelf van de Suyderseeboulevard of het Havenkwartier worden bij de rotonde VOC-weg -Museumweg linksaf geleid. Hier kan men dan kiezen om over de boulevard/kade of achter de bouwblokken langs te rijden.

De kade blijft zoveel mogelijk vrij van autoverkeer, omdat het doorgaande verkeer dat geen bestemming heeft voor één van de hiervoor genoemde functies juist gebruik maakt van de Houtribweg. De profilering van de route over de boulevard/kade en de aansluitingen van deze route op het netwerk van Lelystad aan de twee uiteinden van de lange lijn is zodanig vormgegeven en gedetailleerd dat dit geen logische doorgaande autoroute is die de functie van de Houtribweg vervangt. In de tweede plaats worden bezoekers die kort moeten parkeren richting de Lelybaangarage geleid. Bezoekers die moeten laden/lossen bij de havenpier worden over de Lelybaan geleid richting de havenpier. De boulevard is autoluw doordat bij de Bataviawerf de boulevard is afgesloten voor het doorgaande autoverkeer, maar wel toegankelijk is voor hulpdiensten, bevoorradingsverkeer en gemeentelijke diensten (vuil ophalen, gemeentereiniging et cetera).

De Museumweg is ter hoogte van het Bataviaplein ook voor doorgaand verkeer afgesloten (behalve hulpdiensten). Door deze afsluitingen worden er twee aparte circulaties nagestreefd:

  • 1. Autoverkeer voor Batavia Stad in en uit via turborotonde-Houtribweg of in via de Markerwaarddijk-boulevard en uit via de Markerwaarddijk;
  • 2. Autoverkeer voor Batavia Haven en de Suyderseeboulevard in via de Museumweg, over de Lelybaan en weer uit via de Museumweg.

In het hiervoor genoemde verkeerscirculatieplan zijn tevens aanvullende routeringen en/of bewegwijzeringen opgenomen voor bevoorradingsverkeer, hulpdiensten, gemeentelijke diensten, gehandicapten, (brom)fietsers en voetgangers. Het bevoorradingsverkeer volgt grotendeels de routes voor bezoekers. Echter aan de westzijde van Bataviastad zijn ook twee ingangen voor laad en losverkeer. Dit verkeer kan via de Houtribweg-Museumweg in en uitrijden of via de Markerwaardijk-boulevard-Lelybaan-Museumweg in en uitrijden.

Fietsen

Via de fietsbruggen over de Houtribweg is het gebied voor langzaamverkeer vanuit de stad goed bereikbaar. De fietsroutes uit de stad naar de dijk (boulevard) maken onderdeel uit van de hoofdfietsroutes in Lelystad en dienen dan ook gehandhaafd te blijven. Kruisingen erftoegangswegen en de hoofdfietsroute worden verkeersveilig ingericht. Het landelijke fietsknooppuntennetwerk loopt door dit gebied heen.

Openbaar vervoer

Met het openbaar vervoer is het gebied bereikbaar door een buslijn tussen de Museumweg en het centrum van Lelystad. De bus rijdt medio 2014 via de volgende route: Museumweg-Voc-weg-Lelybaan-zuidingang Batavia Stad-Lelybaan-Batavia Haven- Lelybaan-Voc-weg en vice versa. Er is een ambitie om de buslijn door te trekken naar Enkhuizen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0003.png"

Parkeren

Omdat Batavia Haven het karakter van een verblijfsgebied zal krijgen, is het van belang om een kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte te realiseren zonder grote aantallen geparkeerde auto's. In dit kader is een duidelijk parkeerregime geformuleerd waarbij duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen kort parkeren en lang parkeren. Het lang parkeren ten behoeve van Batavia Haven (250 parkeerplaatsen) zal plaats vinden in het naastgelegen gebied Batavia Stad. Hiertoe is ten zuiden van Bataviastad een parkeerterrein gereserveerd voor bezoekers die één of meerdere dagen een boottochtje maken of iets anders. Via de trottoirs langs de VOC-weg kunnen de bezoekers eenvoudig richting de haven wandelen. Kort parkeren kan in de VOC-garage of op de parkeerplaatsen rond Bataviastad. In de haven zelf zijn geen parkeerplaatsen beschikbaar voor kortparkeren. Een uitzondering hierop geldt voor gehandicapten en vergunninghouders. Hiervoor zijn een beperkt aantal parkeerplaatsen aanwezig.

Het parkeren voor bewoners zal zoveel mogelijk op eigen erf plaatsvinden. Voor het kort parkeren van bezoekers aan de haven is een tweeledige oplossing aanwezig. Enerzijds zal dit worden opgelost op het eigen erf en anderzijds bijvoorbeeld in de VOC-garage. Om dit parkeerregime te handhaven is er een parkeerverbodzone van kracht en geldt er een zone betaald parkeren. Bij de verdere ontwikkelingen in het gebied worden eventueel nadere passende parkeerregulerende maatregelen ingesteld. Door een juiste inrichting van het gebied, bijvoorbeeld door de inrichting van de openbare ruimte, moet het gewenste parkeergedrag worden gerealiseerd. Bovenstaande maatregelen worden ondersteund met duidelijke bebording.

Wat betreft de opvang van parkeren bij evenementen is het van belang om het verkeer goed te geleiden met behulp van een parkeermanagementsysteem, politie, of verkeersregelaars. De te realiseren parkeercapaciteit is gedimensioneerd op een dag met topdrukte, dus het overgrote deel van het jaar zal de parkeercapaciteit ruim voldoende zijn. Het is echter niet uit te sluiten dat incidenteel, bij grote evenementen, de parkeercapaciteit op bepaalde momenten van de dag niet toereikend zal zijn. In dit geval zal gebruik gemaakt worden van de grasvelden ten noorden van Batavia Stad. Bij dit soort evenementen met een verwachte hoge bezoekersaantallen en bijbehorende hoge parkeerdruk worden verkeerscirculatieplannen opgesteld om de potentiële verkeersoverlast te beperken.

Gelet op de diversiteit aan functies en het daaraan gekoppelde aantal benodigde parkeerplaatsen zijn de parkeernormen, zoals aangegeven in afbeelding 1, gehanteerd. Bij het bepalen van die normen is er vanuit gegaan dat overloop van de parkeerdruk naar nabijgelegen gebieden (Batavia Stad, Suyderseeboulevard) vermeden dient te worden. Zonodig zullen er juridische instrumenten zoals gebiedsparkeerverboden, betaald parkeren of parkeervergunningen worden ingezet om het beoogde resultaat te bereiken.

Parkeren, functie

Voor de verschillende activiteiten in het gebied worden verschillende parkeernormen gehanteerd. Voor de meeste activiteiten wordt hierbij volstaan met een verwijzing naar de CROW Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317. Voor dit gebied wordt uitgegaan van matig stedelijk gebied in rest bebouwde kom. Voor de in afbeelding 1 opgenomen activiteiten zijn specifieke parkeernormen opgenomen.

1. Auto   Parkeeraantal  
Horeca/leisure   6,0 per 100 m2 bvo  
Restaurant   13,0 per 100 m2 bvo  
Haven   1,0 per ligplaats  
Dienstverlening en detailhandel, verbonden
aan haven- en watersportactiviteiten  
Winkel: 3,25 parkeerplaatsen per 100 m² bvo
Kantoor: 3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo
Zeilschool: 1,7 parkeerplaats per 100 m² bvo  
Wonen, duur   2,0 per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers  
Wonen, middel   2,0 per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers  
Wonen, goedkoop   1,8 per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers  
2. Bus/touringcar    
Per voorziening   1 busparkeerplaats per 100 autoparkeerplaatsen  
3. Invalidenparkeerplaatsen    
Per voorziening   5% aan algemene
gehandicaptenparkeerplaatsen (5
parkeerplaatsen op de 100 algemene
parkeerplaatsen)  
4. Fiets    
Per voorziening   2 fietsparkeerplaatsen per 10
autoparkeerplaatsen  

2.1.2 Bebouwingsstructuur

De haven

De Bataviahaven is voor de ontwikkeling van het plangebied een cruciale factor. De haven genereert immers de activiteiten en de levendigheid die een bijzonder karakter aan Batavia Haven geven. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de Hanzestad Compagnie, die de haven gebruikt als haar thuishaven voor het aanleggen van charterschepen. Batavia Haven heeft hiermee een impuls gekregen. Niet alleen door de passagiers die inschepen, maar er dient ook rekening gehouden dient te worden met het feit dat de haven gebruikt gaat worden door bezoekers, kijkers, en voor festiviteiten e.d.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0004.png"

De ontwikkeling van de stadshaven is dan ook het centrale motief van de planvorming. Haaks op de kust is ter plaatse van de verbreding in het Oostvaardersdiep een brede pier gerealiseerd. De haven wordt zodoende gevormd door een havendam, die de haven een komvormige begrenzing geeft. Vanaf de pier, die tevens een functie heeft als wandelpromenade, is er een weids uitzicht over het water.

De haven heeft een prominente plek in de kustroute langs het Oostvaardersdiep. De kustlijn knikt ter plekke van de haven naar binnen en de route langs de kust schampt aan een zijde langs de haven.

Woon- en voorzieningen bebouwing

De woon- en voorzieningen bebouwing aan de Bataviahaven, bestaat uit vijf bouwblokken. Het eerste bouwblok is inmiddels gerealiseerd, de overige vier tot op heden niet. Vier van deze vijf bouwblokken liggen tussen de haven en de Houtribweg. Aan de zuid-westzijde van de bouwblokken zijn zoveel mogelijk appartementen met uitzicht over de haven geprojecteerd. De woningen aan beide zijden van het plangebied profiteren zo van de centrale kwaliteiten van de locatie: ruimte en uitzicht. De straatjes tussen de blokken liggen in een helling die het hoogteverschil tussen de havenkade en het park overbrugt. Deze grotendeels autoluwe straatjes leggen een directe relatie met de oostzijde van het plangebied.

De robuuste schaal van de woonblokken past bij de weidsheid van het omliggende landschap van water en polders en creëert luwe en beschutte binnenhoven. Deze binnenhoven vormen het contrast met de grote schaal en de dynamiek van de omgeving en zijn het collectieve en exclusieve domein van de bewoners van het blok. De huidige bebouwing langs de dijk van het Oostvaardersdiep wordt afgemaakt door aan de landzijde de langgerekte gevelwand door te zetten. De langgerekte en monumentale parkrand van de Suyderseeboulevard wordt vervolgens beëindigd door een haakvormig appartementenblok.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0005.png"

Aan de havenzijde zijn appartementen gesitueerd met een hoogte van vijf tot zeven bouwlagen, de drie andere zijden van het blok worden gevormd door stadswoningen van minimaal drie verdiepingen hoog. De volle diepte van de begane grond van de appartementsgebouwen ligt op maaiveldpeil en heeft een hoogte van maximaal zes meter. Dit maakt deze laag geschikt voor de huisvesting van stedelijke voorzieningen. De straatjes tussen de bouwblokken lopen in een helling op naar de kade. Aangezien de maat van de kuststrook in diepte varieert verschillen de hellingspercentages van de dwarsstraatjes. Hoe korter het straatje hoe steiler de helling. De rijen stadshuizen langs deze straatjes vangen het hoogteverschil geleidelijk op.

De binnenhoven zijn privé en voor collectief gebruik. De binnenhof kan bereikt worden vanuit de trappenhuizen van de appartementsgebouwen en vanuit de stadswoningen die de binnenhof aan drie zijden omzomen. De binnenhof vormt het exclusieve domein van de bewoners van het blok en kan onder andere gebruikt worden als veilige speelruimte voor de kleinere kinderen. Het is de bedoeling dat de hoven een individuele uitstraling krijgen.

De Lelybaan

De Lelybaan is een langwerpige stedelijke ruimte waarlangs een groot deel van de (toekomstige) recreatieve en museale functies van Batavia Stad zijn gesitueerd. Dit langgerekte plein dat als verbindingsas en zichtas functioneert, is door de ruime opzet geschikt voor het organiseren van allerlei buitenmanifestaties. Onder de Lelybaan is een openbare parkeervoorziening gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0006.png"

2.2 Functionele structuur

2.2.1 Wonen

Voor de locatie Batavia Haven is het ambitieniveau hoog. In het stedenbouwkundige ontwerp is ruimte voor luxueuze appartementen en grondgebonden stadswoningen. Met het bestaande woonprogramma kan binnen de gekozen ruimtelijke kaders een nieuw stedelijk woonmilieu van hoge kwaliteit aan de kust worden toegevoegd. Een woonmilieu dat gelet op de locatiekwaliteit goede mogelijkheden biedt om de top van de Lelystadse woningmarkt te bedienen met producten die bovenregionaal in de markt kunnen worden gezet. Deze producten richten zich op die consumenten die kiezen voor een waterrijke omgeving waarin ze in een stedelijke setting luxe kunnen wonen.

Gelet op het marktsegment is het geleidelijk aan op de markt brengen van de producten een vereiste. Bij het bepalen van de fasering van het woonprogramma vindt afstemming plaats op stedelijk niveau. De kaders voor afstemming liggen vast in het Meerjarenperspectief grondbedrijf.

Bij het verder uitwerken van het gewenste woonmilieu geldt dat:

  • 1. Het product wervingskracht moet hebben, dus hoogwaardige kwaliteit dat "goed wonen" illustreert.
  • 2. Er voldoende diversiteit dient te zijn, dus variatie en uniciteit in het aanbod van woonproducten.
  • 3. Het woonmilieu duurzaam aantrekkelijk moet zijn, dus met toekomstwaarde, die in staat is nieuwe woonwensen te accommoderen. Desgewenst dienen de woningen te kunnen worden aangepast aan eisen en inzichten van de tijd.

Ten aanzien van het woonproduct op deze locatie wordt meegegeven dat architectonische kwaliteit een belangrijk speerpunt is. Daarnaast is het belangrijk dat bij de ontwikkeling van appartementen het bieden van voldoende balkonruimte en het overdekt privé parkeren van belang zijn. Voor de grondgebonden woningen geldt in principe hetzelfde. Extra aandachtspunt bij de verdere uitwerking van deze typologie binnen de gekozen blokverkaveling met de collectieve parkeervoorziening is de overgang openbaar - privé. De grondgebonden woningen dienen een vorm van privé-buitenruimte te krijgen.

2.2.2 Voorzieningen

Bij de invulling van de vijf bouwblokken ligt het accent op woningen in een hoger marktsegment met daaronder en –binnen parkeerruimte. Er wordt daarnaast ook ruimte gegeven aan niet-woonfuncties op de begane grond van de woonblokken rondom de haven. Met name de bebouwing nabij de havendam (blok 1 en 2) biedt een uitgelezen mogelijkheid voor toeristisch-recreatieve functies die het gebruik van de haven ondersteunen en verlevendigen. Vooralsnog wordt met name op deze blokken ingezet voor een menging van functies. Als functies voor de blokken nabij de havendam (blok 1 en 2) kan gedacht worden aan (niet uitputtend):

  • Horeca (dag, avond)
  • lnternetcafé
  • Winkelsteunpunt voor de passantenhaven
  • Aan watersport gerelateerde winkels
  • Kantoor en bedrijfsruimte voor haven- en watersportgebonden activiteiten
  • Zeilschool
  • Fietsenverhuur
  • Kinderdagverblijf/ crèche
  • Parkeren

In het voorgaande planologische regime was een beperking opgenomen in het aantal vierkante meters aan voorzieningen dat gerealiseerd zou mogen worden binnen het gebied waar voorzieningen toegestaan zijn. Deze beperking wordt met dit nieuwe plan losgelaten, de genoemde voorzieningen kunnen, als wordt voldaan aan in de regels gegeven voorwaarden, binnen de gehele op de verbeelding aangegeven strook gevestigd worden.

Momenteel bevindt zich op gemeentelijke grond binnen het woonblokgebied blok 5 nog een tijdelijk paviljoen, De Lucht genaamd. Met de exploitant loopt een gebruiksovereenkomst tot 14 september 2015. Per deze datum dient de grond weer in oorspronkelijke staat ter beschikking te zijn gesteld van de gemeente. Hier iws geen sprake van verlenging van de termijn.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk is het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van de ruimtelijke structuur en de functionele structuur opgenomen.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Begin 2012 is de Nota Ruimte vervangen door de inwerkingtreding van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR worden de ontwikkelingen en ambities en bijhorende ruimtelijke consequenties voor Nederland tot 2040 geschetst die nodig zijn voor een “concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland”. In de SVIR kiest het Rijk voor een selectieve inzet van rijksbeleid op een dertiental nationale belangen. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid, waarbij het Rijk er van uit gaat dat de nationale belangen die via wet- en regelgeving opgedragen worden aan deze decentrale overheden goed door hen worden behartigd.

De nationale belangen zijn:

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. Een robuust hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • 7. Het instandhouden van het hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van de mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling;
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele plannen. (o.a. Ladder van duurzame verstedelijking)

De SVIR kent een realisatieparagraaf, waarin per nationaal belang de aanpak is uitgewerkt op basis van lopende en voorziene projecten. Het Rijk heeft voor de realisatie van de nationale belangen de beschikking over de volgende vier instrumenten:

  • Kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving);
  • Bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld afspraken met provincies en gemeenten, internationale afspraken met overheden in buurlanden);
  • Financieel (bijvoorbeeld Infrastructuurfonds, Deltafonds);
  • Kennis (bijvoorbeeld inzetten van het College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen, verspreiden van best practices).

In het SVIR is het uitgangspunt voor de bescherming van waardevolle natuurgebieden (EHS) als rijkstaak opgenomen. De EHS is door de provincie begrensd. Het beschermingsregime van de EHS is opgenomen in het Barro. Dat schrijft voor dat de provinciale verordening de regels voor de bescherming van dergelijke gebieden voor moet schrijven. Daarbij moet de verordening zich richten op de manier waarop de bescherming van EHS in een bestemmingsplan opgenomen moet zijn.

In 2012 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van kracht geworden. Het Barro geeft de juridische kaders die nodig zijn om het ruimtelijk rijksbeleid te borgen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Flevoland

Het Omgevingsplan Flevoland 2006 is een bundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau, te weten het Streekplan, het Milieubeleidsplan, het Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan. Het betreft integraal omgevingsbeleid 2006-2015 met een doorkijk naar 2030. Het beleid richt zich op een evenwichtige groei van Flevoland en doet uitspraken over verstedelijking in regionale zin met bijbehorende kansen en knelpunten.

Wonen

Naast kwantitatieve doelstellingen op het gebied van bevolkingstoename en woningbouw, heeft de provincie ook tot doel om een kwaliteitsslag voor de woonomgeving na te streven. Het beleid is er op gericht om bij de bouw van nieuwe woningen te zoeken naar een balans tussen uitbreiding en herstructurering. De provincie ziet op die manier mogelijkheden om goed in te kunnen spelen op de behoefte aan gedifferentieerde woonmilieus, de verweving van functies en het zoeken naar de combinaties van wonen, werken en zorg op wijk- en/of buurtniveau. De verdere invulling van deze opgave laat de provincie aan de gemeenten zelf over. Wel wordt speciaal aandacht besteed aan de behoefte aan specifieke woonmilieus binnen Lelystad. Volgens de provincie kan de ontwikkeling van waterfronten hier een bijdrage aan leveren.

Bedrijventerreinen en overige werklocaties

De provincie beschouwt de ontwikkeling en de realisatie van werklocaties als een verantwoordelijkheid van gemeenten en private partijen dat sterk afhankelijk is van marktontwikkelingen. In het provinciaal beleid gaat het om de afstemming van ontwikkelingen op de bedrijven- en kantorenmarkt in regionale zin, waarvoor de provincie locatiebeleid heeft opgesteld. Dit locatiebeleid is gericht op een voldoende gedifferentieerd aanbod van werklocaties in Flevoland, waarbij gestreefd wordt naar een zodanige vestiging van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. De provincie verlangt van de verschillende gemeenten dat zij de variëteit en spreiding van werklocaties nader concretiseren en afstemmen op de behoeften van de verschillende soorten bedrijven en instellingen. Bovenstaande visie is verder uitgewerkt in de Beleidsregel Locatiebeleid Stedelijk gebied 2011, de Visie Werklocaties 2030+ en de Structuurvisie Werklocaties Flevoland 2011. Tevens is afgesproken dat de gemeenten zogenaamde Gemeentelijke Vestigingsvisies (GVV) opstellen. Een GVV is een strategische visie op werklocaties, waarin voor zowel bestaande als toekomstige werklocaties een profiel wordt geschetst van de mogelijkheden voor vestiging aan functies en bedrijvigheid. De gemeente Lelystad heeft dit uitgewerkt in de vorm van een thematische structuurvisie, de Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025.

Recreatie en toerisme

De provincie ziet goede mogelijkheden om de sector recreatie en toerisme in Flevoland verder te ontwikkelen. Flevoland kan hierin een opvangfunctie voor de Veluwe en de Noordvleugel gaan vervullen. De concurrentiekracht van Flevoland als vakantiebestemming kan worden versterkt door de ontwikkeling van de luchthaven, vergroting van de hotelcapaciteit, goede en veilige fietspaden,wandelroutes en vaarroutes, aantrekkelijk en veilig vaarwater, attractieve stranden en bossen, toegankelijke natuurgebieden, versterking van de belevingswaarde van Flevoland voor de recreant en ontwikkeling van nichemarkten op het gebied van cultuurtoerisme.

De provincie heeft op dit beleidsterrein geen wettelijke taken, maar wil een stimulerende rol vervullen en wil vooral de belangen op bovengemeentelijk niveau bundelen. Voor alle ontwikkelingen geldt dat deze goed worden ingepast in het landschap en dat de bestaande landschappelijke kwaliteit behouden blijft dan wel wordt hersteld.

Recreatief uitloopgebied bij de kernen.

Elke kern dient voldoende recreatief uitloopgebied te hebben. Dit bestaat uit een groene of blauwe rand langs de kern dat 3.2.1 ruimte biedt aan uiteenlopende intensieve en extensieve recreatiefuncties, maar ook aan gebruiksnatuur, stadslandbouw of kleinschalig wonen. Lelystad is omringd door veel recreatiegebieden. Aan de randen van het Hollandse Hout zijn recreatieve ontwikkelingen mogelijk. Het gebied nabij luchthaven Lelystad kan zich ontwikkelen tot een zone van bovenregionale recreatie met ruimte voor lawaaiproducerende buitensporten en intensieve vormen van recreatie. De relatie met het water kan versterkt worden met ontwikkelingen die aansluiten bij de havens, het werkeiland, Bataviahaven.

3.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Door middel van een provinciale omgevingsverordening kan een provincie regels stellen aan ruimtelijke plannen, bijvoorbeeld bestemmingsplannen. Om willekeur te voorkomen, moet aan deze regels een omgevingsvisie of omgevingsplan ten grondslag liggen. In de provincie Flevoland is geen sprake van één provinciale omgevingsverordening, maar van diverse verordeningen voor specifieke onderwerpen, bijvoorbeeld de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor het plangebied en omgeving is geen verordening opgesteld.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurplan Lelystad 2015 en Lichte actualisatie van het structuurplan (2014)

Het structuurplan is vastgesteld op 7 april 2005 en bevat een visie op de integrale leefomgeving, waarbij behalve het ruimtelijk beleid, ook bijvoorbeeld duurzaamheid, milieu en verkeer deel van uitmaken. Lelystad ziet daarbij de handhaving en versterking van de kernkwaliteiten rust, ruimte, groen en water als één van de belangrijkste opgaven. Groei is daarbij noodzakelijk om te kunnen blijven investeren in de stad. In dit structuurplan wordt de verwachting uitgesproken dat Lelystad in 2015 80.000 inwoners en 32.000 arbeidsplaatsen telt. Gestreefd wordt naar een diversiteit in woningaanbod, door de ontwikkeling van woongebieden met een eigen sfeer en uitstraling.

Woonomgeving / woningvoorraad

Het beleid is voor de bestaande woongebieden in Lelystad, waaronder voor de woonbuurten in het plangebied, is in het algemeen gericht op de handhaving van de kernkwaliteiten en daar waar noodzakelijk de verbetering van de woonomgeving door middel van herstructurering of herontwikkeling. In het Structuurplan is Lelystad ingedeeld in elf samenhangende gebiedseenheden, de zogenaamde wooneilanden. Voor elk wooneiland zijn de gewenste identiteit en sfeer en de daarbij horende (transformatie)opgaven beschreven. Het uiteindelijke doel is om voor elk eiland een prettige, veilige en duurzame woon- en leefomgeving te behouden/te creëren

Werken

In het structuurplan wordt aangegeven dat ten behoeve van het realiseren van het economische programma er voldoende bedrijven- en industrieterrein dienen te zijn. De verschillende terrein hebben de term werkeilanden meegekregen. Daarnaast zijn er een aantal knooppunten opgenomen waar diverse functies samenkomen. Hierbij gaat het om woon- en werkfuncties en daarbij horende voorzieningen. De knooppunten zijn hoogdynamische en intensieve gebieden die goed bereikbaar zijn.

Actualisatie Structuurplan Lelystad 2015

In januari 2014 is de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'. Belangrijk verschil tussen de nieuwe Structuurvisie en het voormalige Structuurplan is de veranderde focus: van accent op groei en ontwikkeling naar onderhoud en beheer van de bestaande stad. Inherent daaraan is dat kwaliteit belangrijker is dan kwantiteit. In de nieuwe visie is rekening gehouden met alle gemeenteraadsbesluiten tot en met 2013, maar ook van provinciaal en van rijksbeleid dat een doorwerking heeft op de (mogelijke) inrichting van de openbare ruimte. De geactualiseerde visie geeft een doorkijk tot 2023 en formuleert een aantal nieuwe beleidsrichtingen die voortvloeien uit al eerder besproken of in de lijn der verwachting liggende beleidsuitspraken of voornemens:

  • de ontwikkeling van Lelystad Airport met aangrenzend bedrijventerrein “Airport Garden City” wordt niet enkel meer gezien als een structurele verbetering van de Lelystadse economie, maar als een ontwikkeling van 'bovenregionaal belang';
  • de 'Vista' (een ontwikkelingszone van centrum tot kust) zoals opgenomen in het Structuurplan uit 2005, wordt niet langer als ontwikkeling opgenomen;
  • de recreatieve mogelijkheden en kansen nabij Trintelhaven (halverwege dijk Enkhuizen-Lelystad) in relatie tot de ontwikkeling van natuur- en moerasgebied 'Marker Wadden' worden nader onderzocht;
  • functieverbreding van jachthavens om Lelystad als vaardoel aantrekkelijker te maken;
  • de toeristisch-recreatieve knooppunten worden duidelijk gemarkeerd: de 'Marker Wadden', Batavia Stad, Oostvaardersplassen, Aviodrome en Natuurpark Lelystad;
  • heroriëntering vindt plaats op de invulling van de Campuszone (zuidelijke centrumdeel). De reservering voor onderwijsvoorzieningen vervalt.

Wonen

  • Focus op de bestaande stad (met herwaardering van de bestaande voorraad);
  • Voorkomen van grootschalige uitbreidingslocaties (eerstkomende 5 jaar);
  • Woningbouw richten op in bezit zijnde gronden als Hanzepark en 1e deelgebied Warande;
  • De mogelijkheden in de bestaande stad worden benut en daarbij wordt prioriteit gegeven aan onafgemaakte plekken en het bouwen rond bestaande voorzieningen;
  • Organisch ontwikkelen, ieder stadium kan ook een eindstadium zijn;
  • Concentreren op realisatie woningen midden- en hoger segment;
  • Lelystad biedt een suburbaan woonmilieu;
  • Differentiatie binnen het suburbane woonmilieu; (niches in groene en blauwe randen die niet in bovenstaande gebieden passen);
  • (Terughoudendheid bij ontwikkeling van woongebieden aan de Kust);
  • Wooneilanden hebben niet gefunctioneerd zoals beoogd; loslaten en zorg voor meer relaties tussen de wijken;
  • De sociale kernvoorraad (huurprijs tot circa € 665,-) wordt beperkt tot globaal het huidige aandeel (28%) met nadruk op renovatie en vernieuwing van de voorraad in plaats van uitbreiding;
  • Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit bij de bouwprogrammering.

Werken;

  • De termen Werkeilanden en Knooppunten zullen niet meer gehanteerd worden;
  • Zorgen voor voldoende aanbod aan werklocaties voor de kansrijke sectoren;
  • Tegengaan van leegstand werklocaties door schrappen planvoorraad, herstructurering en transformatie;

Toerisme en recreatie

  • Prioriteit aan recreatieve ontwikkeling van de Kust;
  • Positieve grondhouding tegenover grootschalige ontwikkeling recreatiewoningen;
  • Focus op 5 toeristisch-recreatieve gebieden

Voorzieningen

  • Commerciële voorzieningen onderbrengen in Stadshart en in het Bataviagebied;
  • Winkelvoorzieningen; versterken van het Stadshart

3.3.2 Meerjarenbouwprogramma

Het Meerjarenbouwprogramma (MBP) is opgenomen in het Meerjarenperspectief Grondbedrijf 2013 en heeft als doel het geven van een inschatting van de te verwachten opleveringen van nieuwbouwwoningen in de jaren 2013, 2014 en 2015. Hiermee wordt inzicht gegeven in welke (nieuwbouw)projecten in voorbereiding zijn of worden opgeleverd. Het Meerjarenbouwprogramma is een dynamisch document en zal periodiek geactualiseerd worden.

3.3.3 Woonvisie

De woonvisie is in 2009 vastgesteld en wordt in 2014 herzien ofwel geactualiseerd. In december 2013 is de startnotitie actualisatie woonvisie vastgesteld. Hiermee zijn ook de hoofdambitie en belangrijkste doelstellingen vastgelegd. De hoofdambitie is en blijft 'Lelystad, vitale woonstad' en de hoofddoelstellingen zijn 'Vitale wijken' (met een evenwichtige bevolkingssamenstelling, betrokken en verbonden bewoners en kwalitatief goede woningen en woonomgeving) en 'Groei richting 80.000 inwoners' (via nieuw woningaanbod en het vasthouden van huidige bewoners). Verschil met de huidige woonvisie zal zijn dat de focus komt te liggen op de bestaande stad en minder op groei. Ook wordt aan de doelstelling van het behalen van 80.000 inwoners geen einddatum meer gesteld, maar is de doelstelling om te groeien in de richting van die 80.000 inwoners.

3.3.4 Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013 - 2015

De Structuurvisie Locatiebeleid Lelystad 2013-2025 biedt, rekening houdend met beleid op rijks-, regionaal en provinciaal niveau, inzicht in de manier waarop de gemeente invulling geeft aan de bestaande en toekomstige werklocaties en het beleid waarmee dit gepaard gaat. In dit locatiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen een zevental locatietypen die onderverdeeld zijn in drie categorieën: centrummilieus (grootstedelijk centrummilieu, overige centra), gemengde milieus (overige gebied) en specifieke milieus (kantoren, voorzieningen, reguliere bedrijventerreinen, industrieterreinen). Tot welk locatietype de werklocatie behoort geeft aan welke goedkeuringscriteria, richtlijnen en aanbevelingen voor vestiging op de locatie gelden. De nadruk in de visie ligt hierbij op de bedrijventerreinen, kantorenlocaties en detailhandelslocaties in het stedelijk gebied.

De belangrijkste uitgangspunten van het vestigingsbeleid zijn:

  • 1. Zorgen voor voldoende aanbod aan werklocaties voor de kansrijke sectoren (industrieellogistiek complex), waarbij het van belang is dat de functionaliteit van de locaties op orde blijft door zorgvuldig om te gaan met functiemenging en milieuzonering.
  • 2. Tegengaan en voorkomen van overaanbod en leegstand van werklocaties door o.a.:
  • Regionale afstemming, monitoring en aanpassing programmering;
  • Herstructureringsinitiatieven vanuit de markt faciliteren;
  • Terughoudend en weloverwogen, slechts na afzonderlijk raadsbesluit, om te gaan met uitbreiding van het aantal winkelmeters.
  • 3. Toename van aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) en vestigingswensen te faciliteren;
  • 4. Duurzaamheid op werklocaties te bevorderen;
  • 5. Economisch functioneren van de verschillende detailhandelslocaties te verbeteren door;
  • Bieden van een in kwalitatief en kwantitatief opzicht zo compleet, gevarieerd en attractief mogelijk pakket van winkels en andere publieksgerichte commerciële voorzieningen door in te zetten op een zo heterogeen mogelijk winkelaanbod;
  • Te streven naar een duurzame aanbodstructuur, bestaande uit ook op langere termijn levensvatbare, elkaar aanvullende winkelgebieden door per initiatief goed af te wegen wat de effecten zijn op de gewenst detailhandelsstructuur;
  • Versterken van de verzorgingsfunctie van het Stadshart;

Detailhandel

Om een duurzame aanbodstructuur te bereiken zet Lelystad in op een evenwichtige voorzieningenstructuur, waarbij de verschillende winkelgebieden complementair zijn aan elkaar en elke locatie een eigen taak binnen de gewenste detailhandelsstructuur vervult. Elk winkelgebied heeft daarbij een eigen profiel, waarbij het koopmotief een belangrijke rol speelt. Onderscheid wordt gemaakt tussen recreatief winkelen, doelgerichte aankopen en boodschappen doen.

Tevens is aangegeven op welke wijze omgegaan wordt met webshops (hier in de regels "webwinkels"), retailparken, bazaars, kringloopwinkels, detailhandel op bedrijventerreinen en detailhandel bij leisure.

Webshops / webwinkels: 

  • 1. De vestiging van webshops met bezoekmogelijkheid wordt toegestaan in reguliere winkelgebieden;
  • 2. afhaal- en servicepunten en webshops zonder bezoekmogelijkheid zijn toegestaan op bedrijventerreinen;

3. onder strikte voorwaarden is vestiging van een webwinkel in de woonwijk mogelijk:

  • de bewoner is tegelijkertijd de ondernemer, wat inhoudt dat de ruimte niet mag worden verhuurd;
  • er vindt geen verkoop plaats in de woning;
  • goederen worden elders bezorgd;
  • goederen worden niet opgehaald bij de woning;

Hier is immers geen sprake van detailhandel. De webwinkel (en de bijbehorende voorwaarden) is opgenomen in de lijst van aan huis verbonden beroepen. De hier genoemde voorwaarden zijn aanvullend.

Detailhandel bij leisure

In beperkte vorm is detailhandel bij leisure toegestaan, mits het gaat om aan de hoofdactiviteit ondersteunende detailhandel met een maximaal oppervlak van 20 procent van het totale bvo van de vestiging met een maximum van 100 m2 wvo.

Aan huis verbonden beroepen

Hiervoor is een regeling opgenomen. Voor de beroepen geldt een aantal ruimtelijke criteria en criteria die een goede inpassing in de woonomgeving moeten waarborgen. In bijlage 1 bij de voorschriften is daartoe opgenomen een lijst "Randvoorwaarden aan huis verbonden beroepen".

Voor beroepen die niet worden genoemd, en voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, geldt dat deze worden getoetst aan het "Beleid voor het afwijken van bestemmingsplannen", gepubliceerd op 13 maart 2013 en in werking getreden 14 maart 2013.

Kantorenstrategie

De kantorenstrategie voor Lelystad bestaat uit het onderzoeksrapport “Onderzoek Kantorenmarkt 2010” en het daarop genomen collegebesluit (10 mei 2011, B10-06502). Door conjuncturele en structurele ontwikkelingen op de kantorenmarkt staat deze markt onder druk. Om goed in te kunnen spelen op deze wijzigende omstandigheden is in 2010 kritisch naar het toenmalige kantorenprogramma en het functioneren van de lokale kantorenmarkt gekeken. De uitkomsten hiervan zijn vastgelegd in “Onderzoek Kantorenmarkt 2010”. Geconcludeerd werd dat onverkorte realisatie van het kantorenprogramma zou leiden tot een ongewenst aanbodoverschot aan kantoren. Vervolgens heeft het college besloten om het programma aan te passen om dit overschot tegen te gaan. Deze aanpassing betekende allereerst het schrappen van een aantal plannen om daarmee de planvoorraad terug te brengen. Daarnaast is besloten om een ander deel van het programma uit te faseren tot na 2030, al dan niet in combinatie met reductie van structurele leegstand door sloop, transformatie en/of herbestemming. Om diversiteit in het aanbod te houden en ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de eisen vanuit de markt (vervangingsvraag) is besloten om een aantal kansrijke nieuwbouwlocaties in het programma te houden.

3.3.5 Beleidsregel Bed & Breakfast

In september 2010 heeft de gemeenteraad deze beleidsregel vastgesteld. De beleidsregel geeft voorwaarden waaronder een bed & breakfast in een woonwijk of een agrarisch gebied mogelijk wordt gemaakt. Deze voorwaarden gaan over de omvang, het aantal kamers en de realisatie van parkeergelegenheid op eigen terrein. De regeling is bedoeld voor gebieden met een woonbestemming (niet zijnde bedrijfswoning) of een agrarische bestemming en is om die reden in dit bestemmingsplan overgenomen. Medewerking aan het vestigen van een Bed & Breakfast kan alleen verleend worden door middel van een afwijking (ontheffing).

3.3.6 Integraal horecabeleid

Met het horecabeleid wil de gemeente Lelystad de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de horeca in Lelystad verbeteren. Hierdoor moet een kwaliteitslag van de stad als geheel en de horecasector in Lelystad plaatsvinden. Concreet worden maatregelen en projecten op een rij gezet, die uitvoering moeten geven aan het in de nota verwoorde beleid. Uitgangspunten voor het toekomstbeleid zijn:

  • 1. een concentratie van de horeca rond één of meer locaties;
  • 2. het creëren van meer diversiteit in het gehele aanbod in Lelystad, gericht op specifieke doelgroepen;

rekening houden met randvoorwaarden die vanuit milieu en openbare orde, zodat het leefmilieu niet onevenredig wordt aangetast

3.3.7 Welstandsnota Lelystad (2007)

De gemeente Lelystad heeft het beleid voor welstand in een Welstandsnota opgenomen. De drie belangrijkste doelstellingen van de welstandsnota geven nader inhoud aan de vereenvoudiging van het welstandstoezicht. De drie doelstellingen zijn:

  • 1. welstandstoezicht is een instrument voor ruimtelijke kwaliteit;
  • 2. welstandscriteria zijn duidelijk en vooraf bekend;
  • 3. procedures van welstandsbeoordeling worden helder omschreven en er is een duidelijke rol van de welstandscommissie.

De vereenvoudiging heeft geleid tot twee welstandsniveaus en één welstandsvrij niveau. De twee welstandsniveaus zijn gebieden met beperkte of stedenbouwkundige welstand en gebieden met een volledige of architectonische welstand. Daarnaast is er ook sprake van welstand in ontwikkelingsgebieden.

Het plangebied betreft een bestaande locatie met nog enkele uitbreidingsmogelijkheden. De welstandscriteria van het niveau "gebieden/locaties met volledige of architectonische welstand" zijn van toepassing. Bij deze gebieden wordt zowel de stedenbouwkundige samenhang als de architectuur van het gebouw beoordeeld.

3.3.8 Beleidsregel Kamerverhuur

In maart 2013 is de beleidsregel Kamerverhuur in Lelystad vastgesteld. De beleidsregel geeft de kaders aan waarbinnen kamerverhuur kan worden toegelaten in een woonfunctie zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de woonomgeving. Door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bestemmingsplan indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in de beleidsregel gesteld worden. Deze voorwaarden betreffen voornamelijk de invloed op de omgeving, het aantal huurders en parkeren. De regeling is bedoeld voor gebieden met een woonbestemming, niet zijnde een bedrijfswoning.

3.3.9 Beleidsplan handhaving fysieke leefomgeving 2011-2014

Het gemeentelijk handhavingsbeleid is verwoord in het Beleidsplan handhaving fysieke leefomgeving 2011 - 2014. Dit beleidsplan geeft de kaders voor het uitvoeren van de handhavingstaak door de gemeente. Het beleidsplan is een integraal plan waarin de handhavingstaken van de beleidsvelden bouw, milieu en Apv, zijn meegenomen. Het handhavingsbeleidsplan geeft richting aan de uitvoering van de handhavingstaken. Op basis van dit plan wordt jaarlijks een handhavingsuitvoeringsplan vastgesteld, waarin de werkwijze, de intensiteit en de prioritering voor de handhavingstaken worden beschreven. Het beleidsplan is voor geheel Lelystad van toepassing, dus ook voor het plangebied. Het heeft echter geen directe invloed op dit bestemmingsplan.

3.3.10 Nota Recreatie en Toerisme (2005)

Deze nota is bedoeld om een samenhangend beleid te formuleren op het gebied van recreatie en toerisme. Daarbij is een drietal hoofdopgaven genoemd, namelijk:

  • 1. het doorontwikkelen van de basiskwaliteiten;
  • 2. de versterking van de toeristische knopen;
  • 3. het uitdragen van de aanwezige kwaliteiten (marketing en promotie).

Voor het plangebied zijn alle hoofdopgaven van belang. Daarmee wordt niet alleen gericht op het doorontwikkelen van het gebied, maar ook het versterken van de bestaande voorzieningen, zodat een sterk toeristische knoop ontstaat aan de kust. De gemeente richt zich onder meer op het op orde houden en het recreatief versterken van de directe leefomgeving van de inwoners van Lelystad. Daarbij is genoemd dat kansen gezocht moeten worden in vormen van (dag)recreatie. De recreatieve voorzieningen in het plangebied dragen bij aan het doorontwikkelen van de basiskwaliteiten.

3.3.11 Waterplan

Voor de gehele gemeente Lelystad is een Waterplan (Royal Haskoning, april 2002) opgesteld. Dit plan bevat de vertaling van het gewenste waterbeheer ('watervisie') naar inrichtingsmaatregelen op hoofdlijnen. Het waterplan is opgesteld waarbij rekening gehouden is met het vigerend beleid in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de startovereenkomst "Waterbeleid 21e eeuw" (WB21), de "Handreiking watertoets" (ministerie van VROM), het Omgevingsplan Flevoland (Provincie Flevoland) en het Waterbeheerplan (Waterschap Zuiderzeeland).

Ook de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn belangrijke beleidskaders. De KRW heeft als doel de kwaliteit van de Europese wateren in een goede toestand te brengen en te houden. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden, anticiperend op veranderende omstandigheden zoals onder andere de verwachte klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van het verharde oppervlak. Bij het opstellen van het NBW is rekening gehouden met de richtlijnen volgens de KRW. Het NBW bevat taakstellende afspraken ten aanzien van veiligheid en wateroverlast en procesafspraken ten aanzien van watertekorten, verdroging, verzilting, water(bodem)kwaliteit, sanering waterbodems en ecologie. Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën:

  • 1. Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren).
  • 2. Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

Concreet voor het plangebied worden geen uitspraken gedaan.

Keur Waterschap Zuiderzeeland 

De Keur van het waterschap Zuiderzeeland is in 2009 in werking getreden. De Keur is gebaseerd op de Waterschapswet, de Waterwet en het Waterbesluit en is afgestemd op de provinciale Verordening voor de fysieke leefomgeving. In 2011 is de Keur geactualiseerd, naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving zoals de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze Keur zijn bepalingen ter bescherming van de ecologische waterkwaliteit opgenomen, indien en voor zover andere wetgeving daarin niet voorziet. Verder zijn in deze Keur bepalingen opgenomen over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in grondwaterlichamen. Tot slot geeft de Keur bepalingen over waterstaatswerken en beschermingszones daar omheen. Het uitgangspunt daarbij is dat de waterstaatswerken en de beschermingszones qua omvang zijn aangegeven in de legger, dan wel in ieder geval wat betreft de ligging, op kaarten in de bijlagen van de Keur. Dit beleid heeft voor deze bestemming onder meer raakvlakken waar het gaat om de aanwezigheid van de primaire waterkering met de daarbij horende zones. Deze overlappen het water van het Markermeer.

Beleid bouwen nabij primaire keringen

Op 18 november 2008 heeft het waterschap Zuiderzeeland het Beleid bouwen nabij primaire keringen definitief gemaakt. Belangrijk aandachtspunten uit het nieuwe beleidsdocument moeten in het bestemmingsplan opgenomen worden.

Het beleidsstuk moet veiligheid bieden, door middel van het beperken van bouwactiviteiten op en nabij dijken rond Flevoland. Om veiligheid te realiseren zijn de dijk en de omgeving van de dijk in zones opgedeeld; de kernzone, de binnenbeschermingszone, de tussenbeschermingszone en de buitenbeschermingszone. Hieraan gekoppeld heeft het waterschap in de Keur een bouwverbod opgenomen. Van dit verbod kan het waterschap ontheffing verlenen. De Keur geldt voor het gehele keurgebied wat ter grondslag ligt aan het instandhouden van de dijken.

Voor dit bestemmingsplan zijn het daadwerkelijke dijklichaam (de kernzone), de binnenbeschermingszone (20 m) en de buitenbeschermingszone relevant. De binnendijkse buitenbeschermingszone is 80 m, buitendijks is deze 155 m. Hier moet bij vermeld worden dat voor de buitenbeschermingszone geen bouwverbod geldt op basis van de Keur. Voor het feitelijke dijklichaam en de direct aangrenzende binnenbeschermingszone moet ontheffing aangevraagd worden voor bouwactiviteiten. De zones ter plaatse van het plangebied zijn in onderstaande figuur aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0007.png"

Overzicht beschermingszones primaire waterkeringen

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

4.1 Milieueffectrapportage

Voor besluiten en plannen die ontwikkelingen bevatten, die (mogelijk) belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de plicht voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden voor projecten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit m.e.r.. Bij dit bestemmingsplan hoeft geen milieueffectrapportage opgesteld te worden. In het plangebied is geen sprake van nieuwe ontwikkelingen. De geringe uitbreidingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, liggen (individueel en cumulatief) onder de drempelwaarden zoals die genoemd zijn in het Besluit m.e.r..

4.2 Archeologische monumentenzorg in Lelystad

Voordat de Zuiderzee ontstond is het grondgebied van de provincie Flevoland ook al bewoond geweest. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste bewoners sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem van Flevoland. Deze archeologische waarden zijn uniek.

Het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed verplicht de deelstaten om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden. Indien behoud in de bodem niet mogelijk is dienen belangrijke archeologische waarden door middel van opgravingen en onderzoek veilig te worden gesteld. Het provinciaal beleid sluit aan bij de Europese verdrag en legt de nadruk op het vergroten van het maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg. Deze verplichting geldt voor heel Flevoland.

In het provinciaal archeologiebeleid is onderscheid gemaakt in Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top-10-locaties. Deze gebieden en locaties acht de provincie van provinciaal belang. De PArK'en en top-10-locaties zijn door de provincie uitgewerkt, de uitwerking van de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. Deze aandachtsgebieden bevinden zich onder andere in het noordelijke en zuidelijke deel van gemeente Lelystad. De vermoedelijke archeologische waarden in het noordelijke gebied zijn zodanig groot dat dit gebied, dat grenst aan het PArK Rivierduingebied Swifterbant, in gemeentelijk beleid als te onderzoeken gebied is aangewezen.

Naast PArK'en, aandachtsgebieden en top-10-locaties zijn door de provincie tevens aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. In de aardkundig waardevolle gebieden bevinden zich naast oude menselijke sporen ook sporen van vroegere landschappen. Elementen als oude geulsystemen en rivierduinen, zeldzame veenresten en zeer oude bodems vormen onderdelen van deze zeer oude, fossiele landschappen. Uit deze aardkundige elementen is de ontstaansgeschiedenis van de Flevolandse ondergrond af te lezen. De provincie heeft een eerste inventarisatie en waardering van de aanwezige aardkundige waarden uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de globale begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. Binnen de gemeentegrenzen van Lelystad bevinden zich onder andere de aardkundig waardevolle gebieden “Rivierduinen en stroomgeulen Swifterbant 1 en 2”.

In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt in de aandachtsgebieden onderscheid gemaakt tussen gebieden met hoge en middelhoge archeologische waarde en gebieden met een lage archeologische waarde. In de gebieden met een lage archeologische waarde is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het gemeentelijk beleid is op 28 augustus 2008 vastgesteld en sinds 11 september 2008 in werking.

In december 2002 is een onderzoek uitgevoerd naar de archeologische verwachting voor deelplan 1 van het Structuurmodel Kust, waar Batavia Haven onderdeel van is. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen:

Het landelijk archeologisch informatiesysteem ARCHIS;

De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden;

De Archeologische Monumentenkaart van de provincie Flevoland;

Het scheepsarcheologisch Archief NISA;

Kaartmateriaal in het provinciaal depot en bodemvondstaen;

Boorgegevens van TNO-NITG en de voormalige Rijksdienst IJsselmeerpolders;

RAAP-rapport 139;

Archeologische literatuur over de Flevopolders.

Uit het plangebied zelf zijn geen archeologische resten bekend. Theoretisch is het mogelijk dat scheepswrakken worden aangetroffen. Een onderzoekscampagne alleen daarop gericht wordt, gezien de geringe trefkans niet als zinvol en efficiënt gezien.

De oppervlakte van het pleistocene dekzand ligt in het plangebied op zeer grote diepte. Daarnaast is het maaiveld ook nog eens opgehoogd. De landschappelijke situatie in het plangebied laat zich allerminst vergelijken met kansrijke gebieden elders in de provincie. De kans dat archeologische relicten aanwezig zijn, wordt daarom uiterst klein geacht. De mogelijkheden voor het uitvoeren van inventariserend veldonderzoek zijn, technisch gesproken, zeer beperkt.

Eventuele archeologische vindplaatsen dienen altijd op basis van algemeen geldende criteria te worden gewaardeerd alvorens een gefundeerde uitspraak over behoud of vervolgonderzoek kan worden gedaan. Naast conservering en zeldzaamheid, zijn bij de waardestelling met name gaafheid, informatiewaarde en ensemblewaarde van groot gewicht. Gezien de geringe omvang van het plangebied, de situering in het stedelijk gebied en de zeer diepe ligging (erosiekans) is de kans gering dat een eventuele archeologische vindplaats in het plangebied op deze laatste criteria hoog zal scoren.

De conclusie van het onderzoek luidde dat de aanwezigheid van archeologische waarden weliswaar niet voor 100% kan worden uitgesloten, maar dat gezien de landschapsgenetische context en de diepteligging de kans minimaal is dat behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn, laat staan verloren gaan. Gezien de uiterst lage verwachting is uitgebreider onderzoek voor dit gebied niet nodig.

De aanwezigheid van archeologische sporen kan echter nooit volledig worden uitgesloten. Bij de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden dient men dan ook alert te zijn op de aanwezigheid van archeologische resten.

Scheepswrakken kunnen in principe overal op de voormalige Zuiderzeebodem worden aangetroffen. De meeste scheepswrakken liggen relatief dicht aan het oppervlak van de voormalige Zuiderzeeafzettingen.

Indien tijdens de bodemverstorende werkzaamheden archeologische resten of (delen van) een scheepswrak worden aangetroffen dient het werk onmiddellijk te worden stilgelegd. Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), ARCHIS-meldpunt, telefoon 033-4227682). In de Flevolandse praktijk fungeert het archeologisch depot in het Nieuwland Erfgoedcentrum als centraal meldpunt van archeologische vondsten, telefoon 0320-225939, de heer D.E.P. Velthuizen.

4.3 Geluid

Wegverkeer

Op grond van de Wet geluidhinder worden langs wegen geluidszones vastgesteld, waarbinnen de regels van de Wet geluidhinder gelden. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in (buiten)stedelijk gebied en van het aantal rijstroken. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt of binnen een woonerf zijn gelegen hebben geen zone.

Binnen het plangebied is de Houtribweg gelegen, welke tot een zoneplichtige weg behoort. Bij de Houtribweg hoort een geluidszone (aandachtsgebied voor geluid) van 200 meter, conform artikel 74 van de Wet geluidhinder. Voor de gebieden “Wonen” is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is getoetst of er voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(Lden). Voor bestaande woningen geldt op grond van artikel 76 lid 1 en 3 van de Wet geluidhinder geen onderzoeksplicht.

Voor de berekening van de 48 dB(Lden) contour is uitgegaan van de huidige rijsnelheid van 50 km/uur voor de Houtribweg. Voor de verkeersintensiteit is het prognosejaar 2025 aangehouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de akoestische invloed van de Museumweg, ondanks dat deze weg niet tot een zoneplichtige weg behoort

De conclusie van het akoestisch onderzoek is dat binnen de gebieden “Wonen” voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Het vaststellen van een hogere grenswaarde of het nemen van akoestische maatregelen is daarmee niet aan de orde.

Bedrijvigheid

In Lelystad wordt bij bedrijventerreinen en bedrijven een systeem van inwaartse milieuzonering toegepast. De bedoeling is om daarmee een adequate ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen. In deze vorm van milieuzonering wordt rondom het bedrijventerreinen een denkbeeldige contourlijn getrokken die uitgaat van de te beschermen milieugevoelige bestemmingen. Vervolgens wordt binnen de contourlijn gelegen bedrijventerrein verdeeld in zones voor bepaalde categorieën van bedrijven. Hoe verder die zones van de contourlijn liggen, hoe zwaarder de toegelaten bedrijven mogen zijn.

Bij de indeling van bedrijven in bedrijfscategorieën wordt in het algemeen de VNG-uitgave “bedrijven en milieuzonering” als richtlijn toegepast. Daarin worden voor ieder soort bedrijf indicatieve afstanden bepaald voor de milieuaspecten geluid, stank, stof en gevaar.

Het systeem van milieuzonering is een goed instrument om een adequate ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen milieubelastende bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen zoals woningen en natuurgebieden. Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer vallen van de Wet milieubeheer, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

In het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vanuit milieu oogpunt op een hinderlijke wijze van invloed zijn op de omgeving. De aanwezige bedrijven worden gelet op de aard en de invloed op de (woon) omgeving, ook in de toekomst toelaatbaar geacht binnen het plangebied. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het niet alleen gaat om de bedrijven die in het bestemmingsplan een bedrijfbestemming hebben, maar bijvoorbeeld ook om de voorzieningen. In het plangebied is geen geluid gezoneerd bedrijventerrein aanwezig.

4.4 Bodemkwaliteit

Naar het historisch gebruik van het plangebied is in maart 2004 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, gebaseerd op de Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek (NVN 5725). De resultaten zijn in mei 2014 aangevuld. De relevante gegevens worden in deze paragraaf vermeld.

Voor dit onderzoek is een bezoek gebracht aan de locatie en is het archief van de sector Bouwen, Vastgoed en Milieu geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van reeds beschikbare bodemonderzoeksrapporten. In deze fase werd het niet noodzakelijk geacht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren.

Het terrein omvat een deel van de polderdijk (Oostvaardersdijk), een zandlichaam met slibvang, enkele wegen, een fietspad met talud naar een fietsbrug, een parkeergarage, diverse restaurants, een gebouw met woningen en diverse andere functies, een parkeergarage en een haven. Een deel van het terrein ligt braak.

In het verleden is er een tijdelijk slibdepot aanwezig geweest.

De belendende terreinen zijn in gebruik als museumterrein, wonen, verkeer (Houtribweg) en water (Bataviahaven en Oostvaardersdiep).

Op de locatie hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden zoals op- en overslag van bodembedreigende stoffen of lozingen van afvalwater en hebben geen bodembedreigende installaties zoals tanks, werkplaatsen, wasplaatsen of afleverpunten gestaan.

Op de locatie zijn geen calamiteiten bekend.

In het verleden zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd.

In 1998 is door Oranjewoud BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Kuststrook-centraal). Hierbij zijn voor een aantal stoffen licht verhoogde gehalten in grond en grondwater aangetoond. De overschrijdingen van de streefwaarden zijn echter gering.

In 2000 is door Consulmij Milieu bv een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd vanwege de beëindiging van het tijdelijke baggerspeciedepot. De conclusie van dit onderzoek was dat de bodem niet verontreinigd is geraakt door de opslag van baggerspecie.

In 2002 is door Grontmij Advies en Techniek een globaal bodemonderzoek uitgevoerd in verband met in de nabije toekomst uit te voeren werkzaamheden, te weten de aanleg van een haven en de bouw van woningen. In het grondwater en in de boven- en ondergrond zijn geen ten opzichte van de streefwaarden verhoogde waarden aangetroffen.

In 2005 is door Witteveen en Bos B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter voorbereiding op de herinrichting van het gebied. In de grond zijn geen ten opzichte van de streefwaarden verhoogde waarden aangetroffen. In het grondwater zijn enkele licht verhoogde waarden aangetroffen. Ook nu waren de overschrijdingen van de streefwaarden gering.

Op basis van de beschikbare gegevens over de bodemkwaliteit zien wij geen belemmering het bestemmingsplan vast te stellen.

4.5 Externe veiligheid

Hoewel het nieuwe bestemmingsplan Bataviahaven geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt en er daarmee geen wijziging optreedt in de externe veiligheid, wordt in deze paragraaf beschreven op welke risicobronnen er zijn.

Plaatsgebonden risico

De risico's, risicobronnen binnen, maar ook in de nabijheid, van het plangebied zijn geïnventariseerd. Beoordeelde risicobronnen kunnen bedrijven zijn maar ook transportroutes over de weg, rail of vaarwater en buisleidingen. Beoordeeld is of wordt voldaan aan de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriënterende waarde. Het besluit "Externe Veiligheid inrichtingen" (Bevi), de regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), de handreiking verantwoording groepsrisico zijn bij deze beoordeling toegepast. Bedrijven zoals geregistreerd in het "Risico Register Gevaarlijke Stoffen", het RRGS, zijn in de beoordeling van het plaatsgebonden en groepsrisico voor zover aanwezig meegenomen.

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico GR kent geen vaste norm waaraan dient te worden voldaan maar een oriënterende waarde waarop getoetst dient te worden. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen dient elke (mogelijke) toename van het groepsrisico verantwoord te worden (de verantwoordingsplicht). Deze verantwoordingsplicht geldt ook als het groepsrisico wijzigt maar wel onder de oriënterende waarde blijft.

De verantwoordingsplicht omvat een aantal onderdelen waarop beoordeeld dient te worden.

  • 1. Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken risicobronnen;
  • a. Functie-indeling.
  • b. Gemiddelde personendichtheid.
  • c. Verblijfsduur.
  • d. Verschil bestaande en toekomstige situatie.
  • 2. De omvang van het groepsrisico;
  • a. De omvang voor het van kracht worden van dit plan.
  • b. De omvang na het van kracht worden van dit plan.
  • c. De verandering van het groepsrisico ten gevolge van dit plan.
  • d. De ligging van de groepsrisicocurve ten opzichte van de oriënterende waarde.
  • 3. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de in dit plan betrokken risico-inrichtingen en/of transportroutes.
  • 4. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in dit ruimtelijke besluit.
  • 5. De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;
  • a. Pro-actie.
  • b. Preventie.
  • c. Preparatie.
  • d. Repressie/zelfredzaamheid.
  • 6. De mogelijkheden van personen die zich binnen de het invloedsgebied van de risicobron bevinden om zichzelf in veiligheid te brengen.
  • 7. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico.
  • 8. De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst.

Per risicobron wordt zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico besproken.

A) Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Het plangebied grenst aan de rotonde Houtribweg/Houtribdreef, waarover op basis van ontheffingen vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is (LPG) Uit onderzoek is gebleken dat in Lelystad, en daarmee ook op de genoemde rotonde er geen sprake is van een benadering van de PR10-6 contour als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen. Eveneens is er geen sprake van een benadering van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

B) Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water

Over het Markermeer loopt de Vaarweg Amsterdam-Lemmer (VAL); deze wordt regelmatig gebruikt voor het vervoer van brandbare en toxische vloeistoffen en gassen per schip. De route maakt onderdeel uit van het Basisnet Water is daar aangemerkt als “belangrijke binnenvaarweg”. Daarvan geldt dat de PR10-6 contour niet verder reikt dan de oever van het Markermeer. Omdat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt is er geen verandering van het groepsrisico. De vaarweg levert daarmee geen risico's op.

C) Risicovolle bedrijven.

In het plangebied is geen bedrijf gevestigd dat wordt aangemerkt als risicovol, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Over het plangebied vallen geen veiligheidscontouren van bedrijven die buiten het plangebied gevestigd zijn.

Conclusie

Over het plangebied liggen risicocontouren voor het plaatsgebonden risico. Er worden geen normen overschreden, evenmin is er sprake van saneringsituaties. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico, zodat een verantwoording van het groepsrisico achterwege kan blijven. Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.6 Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht is opgenomen onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer en staat bekend als de 'Wet luchtkwaliteit' (Wlk) (Stb. 2007, 434). Deze wet is op 15 november 2007 in werking getreden en is de Nederlandse implementatie van de EU-richtlijn voor luchtkwaliteit. Onder de Wlk vallen de volgende AMvB's en Ministeriële Regelingen:

  • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (StB 440, 2007);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (StB 14, 2009);
  • Regeling niet in betekenende mate bijdragen (SC 218, 2007);
  • Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (SC 220, 2007; rectificatie SC 237, 2007);
  • Wijziging Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (SC 136, 2008; SC 245, 2008; SC 53, 2009);
  • Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 (SC 218, 2007).

Plannen waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat ze niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, kunnen conform de Wlk zonder toetsing aan de grenswaarden voor verontreinigende stoffen gerealiseerd worden. Hiervoor wordt een grens gehanteerd van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide(NO2) en fijn stof (PM10). Dit betekent dat voor NO2 en PM10 projectbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 ìg/m³. Wanneer een plan minder dan de genoemde omvang bijdraagt aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10, kan het op grond van art. 5.16 lid 1 sub c uit de Wet milieubeheer doorgang vinden.

Op basis van artikel 5.16 Wet milieubeheer kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt,niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde die behoort bij hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of

aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of

aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of

het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (in werking getreden per 01-08-2009).

Beoordeling luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan Bataviahaven maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Vaststelling van het bestemmingsplan leidt daarmee niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit geeft geen belemmeringen voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de VNG circulaire Bedrijven en Milieuzonering (2009) zijn richtafstanden opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten milieubelastende activiteiten aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van milieugevoelige activiteiten. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Het verband tussen de afstand en de milieucategorie voor een rustige woonwijk

1 10 meter

2 30 meter

3.1 50 meter

3.2 100 meter

4.1 200 meter

4.2 300 meter

De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Benadrukt moet worden dat de richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) en dat de richtafstanden bij een omgevingstype gemengd gebied (een gebied met een matige tot sterke functiemenging) met één stap kunnen worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het waar nodig scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige gebieden en functies bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

  • a. Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • b. Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Het bestemmingsplan en de milieuregelgeving vullen elkaar aan. Voor zover met behulp van een zonering eventuele overlast voor de omgeving niet voldoende kan worden beperkt, kan de toepassing van milieuregelgeving uitkomst bieden.

Bestaande functies in het plangebied

Het plangebied wordt aangemerkt als een rustige woonwijk. Binnen dit plangebied komen naast de woonfunctie ook andere functies voor zoals horeca, aan haven- en watersportactiviteiten verbonden detailhandel, aan haven- en watersportactiviteiten verbonden dienstverlening. Het bestemmingsplan Bataviahaven is een conserverend plan waarbij uitgangspunt is dat elk bedrijf een omgevingsvergunning (milieuvergunning) heeft die is afgestemd op de huidige situatie. Voor de bedrijvigheid geldt dat de vigerende vergunningen, voor zover van toepassing, en het Activiteitenbesluit afdoende moeten worden geacht. In woongebieden worden in principe alleen kleinschalige bedrijfsmatige acitiviteiten toegestaan tot en met milieucategorie 2.

Bedrijvigheid aan huis

Bij diverse woningen is sprake van een combinatie van wonen en een vorm van werken. In het woongebied mag slechts lichte aan huis verbonden bedrijvigheid plaatsvinden. Voor de bedrijvigheid geldt dat de vigerende vergunningen, voor zover van toepassing, en het Activiteitenbesluit afdoende moeten worden geacht.

4.8 Flora en Fauna

Om inzicht te krijgen in de huidige natuurwaarden in het plangebied, de eventuele gevolgen van geplande ontwikkelingen en/of activiteiten die in het plan mogelijk gemaakt worden op aanwezige natuurwaarden in het plangebied en de omgeving, dient in het kader van het bestemmingsplan een gebiedentoets (Natuurbeschermingswet en de Nota Ruimte) en een soortentoets (Flora- en Faunawet) plaats te vinden. In deze paragraaf wordt ook de Boswet en vigerend beleid op het gebied van flora en fauna behandeld.

4.8.1 Gebiedentoets

Op 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet, de wet die de bescherming van gebieden regelt, in werking getreden. Hierin zijn onder andere de ruimtelijke bepalingen van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn verwerkt. De volgende typen gebieden worden aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet:

Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden)

Beschermde Natuurmonumenten

Wetlands

Binnen het grondgebied van de gemeente Lelystad zijn de Oostvaardersplassen, Markermeer en IJsselmeer aangewezen als Natura 2000 – gebied. Binnen de gemeentegrenzen kennen deze gebieden alleen doelen voor vogels; de complementaire doelen voor Meervleermuis en Rivierdonderpad zijn in 2012 uit de aanwijzingsbesluiten geschrapt. In het kader van de Flora- en Faunawet dient echter wel naar deze soorten gekeken te worden. Er komen geen aangewezen habitattypen voor en invloed van het plan op beschermde habitattypen buiten de grenzen van de gemeente is uitgesloten.

In de Nota Ruimte is de aanwijzing en bescherming van de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) geregeld. De begrenzing van de EHS – gebieden is een taak van de provincie. In Flevoland is de begrenzing definitief vastgesteld op 17 juni 2010.

Natura 2000

De Vogelrichtlijn is gericht op het beschermen van in het wild levende vogelsoorten en op de instandhouding van de habitat die het leefmilieu voor deze soorten vormt. De Habitatrichtlijn is gericht op het in stand houden van natuurlijke en halfnatuurlijke habitat en de bescherming van wilde flora en

fauna. In dit kader zijn Speciale Beschermingszones (SBZ) aangewezen op basis van kwalificerende soorten of habitats. De aangewezen gebieden vormen samen het Europese netwerk Natura 2000. Wanneer zich in of in de buurt van een Natura 2000 gebied een (nieuwbouw)plan aandient, zal moeten worden beoordeeld of dit plan negatieve gevolgen voor de kwalificerende soorten en/of habitats heeft.

Bataviahaven

Bestemmingsplan Bataviahaven is een conserverend bestemmingsplan. In de ruimte die het vorig bestemmingsplan bood zal niets wijzigen. Natura 2000 – gebied Markermeer-IJmeer grenst aan dit bestemmingsplan en valt er deels onder. Voor het bestemmingsplan Bataviahaven uit 2005 heeft een toets plaatsgevonden op negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Uit de onderzoeken is gebleken dat significant negatieven effecten niet op zullen treden bij de realisatie van dit bestemmingsplan. Omdat het een conserverend bestemmingsplan is en de situatie in het Natura 2000 – gebied niet noemenswaardig gewijzigd is in tussenliggende periode, is een nieuwe check op de instandhoudingsdoelen niet nodig voor dit plan. Wel dienen evenementen in het plangebied getoetst te worden op negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen, tenzij ze opgenomen zijn in het beheerplan Natura 2000.

Om het verlenen van omgevingsvergunningen te vereenvoudigen is door de gemeente een voortoets gedaan van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde typen bouwwerken. Hieruit is een kaart en toetsingskader met “binnen en buiten externe werking” voor verschillende bouwwerken en evenementen gemaakt. Via de GISviewer van de gemeente zijn deze kaart en toetsingskader te raadplegen. Een negatieve invloed op de Natura 2000 – gebieden ten gevolge van dit plan is uitgesloten, mits evenementen passen binnen het beheerplan Natura 2000 of zijn getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0009.png"

Ecologische hoofdstructuur (EHS)

De Natura 2000 - gebieden maken deel uit van de EHS in de status van prioritair gebied. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in ecologische verbindingszones, waardevolle gebieden en overig EHS. De ecologische verbindingszones zorgen ervoor dat afzonderlijke natuurgebieden met elkaar verbonden worden en planten en dieren zich kunnen verspreiden. De waardevolle gebieden hebben een hoge actuele of potentiële natuurwaarde. Deze gebieden zijn essentieel voor de samenhang en kwaliteit van de EHS. De prioritaire en waardevolle gebieden vormen samen de kerngebieden van de EHS. De provincie heeft de EHS begrensd, gemeenten zijn verplicht om deze begrenzing in bestemmingsplannen te verwerken.

In bestemmingsplan Bataviahaven bevindt zich een prioritair gebied, namelijk Natura 2000 – gebied Markermeer. Activiteiten en plannen met een negatieve invloed op de wezenlijke waarden van de EHS zijn in principe niet toegestaan. Omdat het EHS gebied overlapt met het N2000 – gebied, zal hier niet verder op ingegaan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0011.png"

Boswet

De Boswet regelt de instandhouding van (productie)bos in Nederland. De Boswet stelt regels voor herplant van bos bij kap en/of oogst van bos. In principe dienen gekapte percelen binnen drie jaar ter plaatse herplant te worden. Is dit niet mogelijk, dan kan ontheffing verleend worden om elders te herplanten. De bestemming op de herplantlocatie dient zodanig te zijn dat deze de aanwezigheid van bos mogelijk maakt. De Boswet heeft alleen werking buiten de 'bebouwde kom grens Boswet'.

In het bestemmingsplan Bataviahaven ligt het grootste deel binnen de bebouwde kom Boswet. Het buiten de bebouwde kom gelegen gebied kent geen bospercelen.

Beleid

Met ingang van 1 januari 2009 beheert de gemeente Lelystad haar groenvoorzieningen conform de Gedragscode Beheer Gemeentelijk Groenvoorzieningen. Als onderdeel hiervan heeft het College de 'Natuurstatuskaart' vastgesteld op 25 november 2008. Daarmee zijn de beschermde gebieden vastgesteld en is tevens een status gegeven aan gebieden die van belang zijn voor (beschermde) planten en dieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.BP00056-OW01_0013.png"

In het plangebied bevindt zich, naast het Natura 2000 gebied Markermeer-IJmeer, een aantal voor flora en fauna belangrijke gebieden en structuren.

Voor flora en fauna belangrijke gebieden

De dreven en doorgaande wegen zijn, vanwege hun groene inrichting, belangrijk als verbinding voor plant- en diersoorten. De Houtribweg is belangrijk als verspreidingsroute voor planten, kruipende en vliegende insecten, kleine zoogdieren en amfibieën. Met name de natte kwelzone aan de onderzijde van de dijk zorgt voor een bijzonder milieu voor planten en insecten en is, vanwege het doorgaande karakter, van groot belang. Het gebied dankt zijn waarde aan het zandpakket en de ondoorlatende ondergrond onder het zandpakket en afsluitende waterkering aan de Markermeerzijde. Regenwater infiltreert in het zandpakket en treedt uit in de kwelstrook. Tijdens dit proces neemt het water kalk en zout op uit de bodem, waardoor een unieke waterkwaliteit ontstaat. Het gebied is aan de bovenzijde droog en aan de onderzijde erg nat.

Faunapassage

Onder de Houtribweg ligt een faunaduiker tussen de dijk en het Galjoenpark.

4.8.2 Soortentoets

Flora- en Faunawet

Op grond van de Flora- en Faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

In artikel 75 van de Flora en faunawet worden de ontheffingsmogelijkheden weergegeven. In principe zijn alle zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen die in Nederland voorkomen, beschermd. De aanvraag van een ontheffing en de toetsing aan de Flora- en Faunawet gebeurt niet in het kader van het bestemmingsplan, maar in de vergunningenfase van een initiatief. Om te beoordelen of dit bestemmingsplan ook uitvoerbaar is, zal hierop vooruitlopend, een verwachting worden uitgesproken over de eventuele gevolgen voor de beschermde planten- en diersoorten in het plangebied.

In de wet is een differentiatie aangebracht in niveau van bescherming. Op 23 februari 2005 is de zgn. “AmvB art. 75” van de Flora- en faunawet in werking getreden, waarin dit verschil is verwoord:

  • 1. Alle soorten, opgenomen in Habitat richtlijn bijlage IV, de Vogelrichtlijn en beschermde soorten van de Rode Lijst zijn beschermd onder het zwaarste regime (soorten van tabel 3).
  • 2. Soorten met vrijstelling bij een vastgestelde gedragscode (soorten van tabel 2).
  • 3. Soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt.

De 1e categorie is strikt beschermd. Voor deze soorten wordt alleen ontheffing verleend als er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, er geen andere oplossingen mogelijk zijn om de doelstellingen van het project te behalen (mitigatie en/of alternatieven) en als er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang (art. 75, lid 5, onder c).

Voor de 2e categorie geldt een vrijstelling van de ontheffingsplicht wanneer er volgens een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt en de werkzaamheden vallen onder de categorie:

• bestendig beheer en onderhoud;

• bestendig gebruik;

• ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Voor de 3e categorie geldt een algemene vrijstelling voor:

• bestendig beheer en onderhoud;

• bestendig gebruik;

• ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Een uitzondering hierop zijn vogels. Voor vogels wordt geen ontheffing verleend. Indien er broedvogels aanwezig zijn dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Daarnaast vallen de nesten van een aantal soorten jaarrond onder de bescherming als vaste verblijfplaats.

In Bataviahaven bevinden zich bloemrijke bermen, rietruigte, kwelzone, poelen en open water. Op basis van de terreintypen en waarnemingen kan een inschatting gemaakt worden van de voorkomende beschermde soorten.

De volgende soorten zijn bekend uit het gebied:

Tabel 3, Zwaar beschermde soorten:

Vleermuizen: het gebied kan fungeren als leefgebied voor diverse soorten vleermuizen. In ieder geval zijn foeragerend in het gebied de Gewone Dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de Laatvlieger (Eptesicus serotinus) te verwachten. Zowel in gebouwen als in bomen kunnen zich kolonies bevinden, deze zijn als vaste verblijfplaats strikt beschermd. De Meervleermuis (Myotis dasycneme) heeft zijn belangrijkste Europese verspreiding in Nederland, waardoor Nederland voor deze soort een belangrijke verantwoordelijkheid heeft. De Meervleermuis heeft het Markermeer als foerageergebied. Belangrijk is dat er geen verlichting richting het Markermeer schijnt en verlichting langs het Markermeer een voor vleermuizen acceptabele lichtkleur krijgt (amberkleurig).

Tabel 2: Overig beschermde soorten

Langs de aanwezige waterkanten en bermen komt de Rietorchis (Dactylorhiza majalis praetermissa) voor en de Wilde Marjolein (Origanum vulgare) kan in drogere delen worden aangetroffen.

Vissen: De kleine modderkruiper (Cobitis taenia) en rivierdonderpad (Cottus perifretum) kunnen in de watergangen aangetroffen worden. De rivierdonderpad komt ook voor in het Markermeer.

Amfibieën: in Lelystad is de Alpenwatersalamander (Triturus alpestris) in veel tuinvijvers en kleine wateren aangetroffen. Er zijn meldingen uit het Karveel. Niet uit te sluiten valt dat deze soort zich op meerdere plaatsen gevestigd heeft.

Tabel 1: Algemeen beschermde soorten

In het gebied zijn diverse algemeen beschermde soorten aan te treffen. Het gaat onder meer op de volgende soorten; Aardaker (Lathyrus tuberosus), Egel (Erinaceus europaeus), ware- en woelmuizen, Bunzing (Mustela putorius), Bruine kikker (Rana temporaria), Groene kikker complex (Rana ridibunda/lessonae), Gewone pad (Bufo bufo) en Kleine watersalamander (Triturus vulgaris).

Vogels: vaste verblijfplaatsen

Voor alle vogels geldt dat het verstoren van bewoonde nesten verboden is. Bij een aantal soorten is het nest of broedplaats het hele jaar beschermd en voor enkele soorten geldt dat zij vaak terugkeren naar het zelfde nest, maar flexibel genoeg zijn om een nieuwe plek te vinden. Voor deze laatste soorten geldt dat inventarisatie gewenst is.

Voor dit plan geldt de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten voor de soorten:

In ieder geval: Huismus.

Mogelijk: Gierzwaluw.

Soorten waarvoor inventarisatie van nesten gewenst is: Boerenzwaluw, Ekster, Huiszwaluw, Koolmees, Pimpelmees, Spreeuw en Zwarte kraai.

Aangezien bestemmingsplan grotendeels een consoliderend bestemmingsplan is, mag verwacht worden dat er geen grote negatieve effecten optreden. Het voortbestaan van de populaties van beschermde soorten in dit gebied komt niet in gevaar. Bij eventuele ruimtelijke procedures zal vanwege het voorkomen van beschermde soorten een aanvullende inventarisatie verricht dienen te worden. Tevens dient, vanwege het voorkomen van vleermuizen in gebouwen, bij sloopwerkzaamheden van gebouwen altijd een vleermuisinventarisatie verricht te worden. In sommige gevallen zal ook bij aanbouw aan bestaande bouw een vleermuisinventarisatie noodzakelijk zijn.

Rode Lijst

Soorten vermeld op de Rode Lijst zijn niet wettelijk beschermd, maar vallen wel onder de zorgplicht uit de Flora- en Faunawet. In het plangebied zijn diverse soorten te verwachten met een vermelding op de Rode lijst.

4.8.3 Afwijkingsmogelijkheid hotel- appartementen kantoorgebouw

De gebruiksmogelijkheden van de bestemming 'Recreatie - Nautische voorzieningen' zijn in dit nieuwe bestemmingsplan uitgebreid ten opzichte van het voorgaande plan. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een hotel- of vakantie appartementen gerealiseerd kunnen worden in het bestaande gebouw in de haven, deze heeft nu alleen nog een horeca en kantoorfunctie. Het gebouw in de Bataviahaven bevindt zich binnen de begrenzing van het Natura 2000 gebied Markermeer-IJmeer.

Ten behoeve van het vooronderzoek toetsingskader externe werking N2000 is een tabel opgesteld van gevoeligheden. Deze is voor de toetsing van de hotelfunctie als basis gebruikt. Inmiddels is de in de tabel opgenomen Meervleermuis geen aangewezen soort meer, maar wel van belang in het kader van de Flora- en Faunawet. Toegevoegd worden de Grote zaagbek en Brilduiker, die in strenge winters ook gebruik maken van de omgeving Bataviahaven. In de tabel zijn vogels als “niet gevoelig” voor geluid geclassificeerd, ze kunnen echter wel gevoelig zijn voor piekgeluiden.

  • Visdief, broedvogel; gevoelig voor verstoring door aanwezigheid van mensen;
  • Kuifeend, ruiend; gevoelig voor verstoring door aanwezigheid van mensen;
  • Nonnetje, foeragerend tijdens (strenge) winters; gevoelig voor verstoring door aanwezigheid van mensen;
  • Grote zaagbek, foeragerend tijdens (strenge) winters; gevoelig voor verstoring door aanwezigheid van mensen;
  • Brilduiker, foeragerend tijdens (strenge) winters; gevoelig voor verstoring door aanwezigheid van mensen.

In het kader van de Flora- en Faunawet dient aandacht aan verstoring van foerageerhabitat van de Meervleermuis besteedt te worden. Overige beschermde soorten zullen zeker geen hinder ondervinden van een mogelijke hotelfunctie. Het Markermeer is foerageergebied voor de zwaar beschermde Meervleermuis. Eventuele verstoring moet voorkomen worden. De Meervleermuis is gevoelig voor geluid, licht en aanwezigheid van mensen.

Het gebouw staat in het Natura 2000 – gebied. Bij functiewijziging dient een toets op de instandhoudingsdoelen plaats te vinden. Mogelijke effecten zijn te verwachten van de aanwezigheid van mensen, geluid en licht. Dit dient expliciet onderzocht te worden bij wijziging van de functie. Mitigatie van deze effecten is naar verwachting goed mogelijk, zodat uitvoering van dit bestemmingsplan niet belemmerd wordt.

Voorwaarden

Bij de realisatie van een hotelfunctie zullen de volgende voorwaarden in acht genomen moeten worden, deze voorwaarden zijn ook in de afwijkingsmogelijkheid opgenomen:

  • Een zaalfunctie dient ondergeschikt te zijn aan de hotelfunctie;
  • Parkeren en aanrijroutes voor autoverkeer dienen aan de achterzijde (landzijde) van de gebouwen plaats te vinden;
  • Lichtuitstraling richting het Markermeer is niet toegestaan, behoudens borden met naamgeving.

4.9 Waterparagraaf

Deze waterparagraaf is opgesteld in verband met het actualiseren van het bestemmingsplan Bataviahaven. Het bestemmingsplan is conserverend.

Waterplan en beleid

Voor de gehele gemeente Lelystad is een waterplan (Royal Haskoning, april 2002) opgesteld. Dit plan bevat de vertaling van het gewenste waterbeheer ('watervisie') naar inrichtingsmaatregelen op hoofdlijnen. Het waterplan is opgesteld waarbij rekening gehouden is met het vigerend beleid in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de startovereenkomst “Waterbeleid 21e eeuw” (WB21), de “Handreiking watertoets” (ministerie van VROM), het Omgevingsplan Flevoland (Provincie Flevoland) en het Waterbeheerplan (Waterschap Zuiderzeeland).

Ook de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn belangrijke beleidskaders. De KRW heeft als doel de kwaliteit van de Europese wateren in een goede toestand te brengen en te houden. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden, anticiperend op veranderende omstandigheden zoals onder andere de verwachte klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename van het verharde oppervlak. Bij het opstellen van het NBW is rekening gehouden met de richtlijnen volgens de KRW. Het NBW bevat taakstellende afspraken ten aanzien van veiligheid en wateroverlast en procesafspraken ten aanzien van watertekorten, verdroging, verzilting, water(bodem)kwaliteit, sanering waterbodems en ecologie.

Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën:

  • 4. Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren).
  • 5. Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe het vigerende waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in het bestemmingsplan 'Bataviahaven'. Deze paragraaf geeft aan hoe met water in dit plan wordt omgegaan en op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan 'Veiligheid, Voldoende en Schoon Water'.

Overleg met Waterschap en Rijkswaterstaat

Aangezien sprake is van een conserverend bestemmingsplan is de afspraak is gemaakt dat de gemeente deze waterparagraaf opstelt aan de hand van de randvoorwaarden die zijn opgenomen in het Waterkader van Waterschap Zuiderzeeland.

Aangezien geen waterhuishoudkundige gevolgen van het plan zijn is geen overleg geweest met Rijkswaterstaat.

Beschrijving van het watersysteem

In het bestemmingsplangebied is alleen het oppervlaktewater van de haven aanwezig.

Waterkwantiteit

Het voorliggende plan heeft geen toename van verhard oppervlak tot gevolg en er zal geen ruimte voor waterberging verdwijnen.

Voor het bestemmingsplan geldt het principe van 'waterneutraal bouwen'. Dit wil zeggen dat als het verhard oppervlak toeneemt, compenserende maatregelen worden genomen om piekafvoeren op te vangen. Dit kan door het vasthouden of bergen van het water door het aanleggen van een waterberging of een infiltratievoorziening.

Waterkwaliteit

Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Voor de waterhuishoudkundige kunstwerken worden alleen milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen gebruikt.

Binnen Lelystad wordt gebruik gemaakt van de DOB-methode om onkruid te bestrijden. Hierbij wordt minder bestrijdingsmiddel gebruikt, waardoor minder verontreinigingen naar het oppervlaktewater kunnen afstromen.

Afvoersystemen voor vuilwater, hemelwater en grondwater

Water afkomstig van de drukke wegen en het afvalwater worden afgevoerd naar de AWZI. De drainage stort over op het oppervlaktewater. De schone oppervlakken (voornamelijk daken) wordt opgevangen en geïnfiltreerd in het zandpakket. Geleidelijk komt dit geïnfiltreerde hemelwater terecht in het oppervlaktewater.

Waterkeringen

Het plangebied ligt binnen de kern-, vrijwarings-, of buitenbeschermingszones van een waterkering. Er vinden binnen het bestemmingsplangebied geen ontwikkelingen plaats die van invloed zijn op de waterkering.

Waterveiligheid

In het stedelijk waterplan is berekend dat met de Westlandbui nergens in het stedelijk gebied water op het maaiveld komt en dat de peilstijging nauwelijks hoger dan 30 cm wordt. Dit terwijl de Westlandbui een zwaardere bui was dan de bui die tegenwoordig gehanteerd dient te worden. Bij nieuwe berekeningen wordt namelijk uitgegaan van een bui met een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar, volgens het zogenaamde middenscenario (+10%). Geconcludeerd mag worden dat voor dit gebied het veiligheidsniveau van 1:100 gehaald wordt.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Wro en Wabo

Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is opgezet volgens de wettelijke regelgeving en qua systematiek volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Het plan is digitaal raadpleegbaar uitgevoerd. Het digitale plan verschaft de burger ‘online’ informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties.

Globaal en flexibel bestemmen 

Het gemeentebestuur heeft in 2010 het besluit genomen om bestemmingsplannen globaler en flexibeler op te zetten. Hierbij wordt het gemakkelijker mogelijk om functies uit te wisselen en flexibeler om te gaan met bijvoorbeeld de afmetingen van gebouwen en bepaalde functies.

5.2 De bestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen die in dit plan voorkomen. Bij de bestemming is beschreven hoe de uitgangspunten zijn vertaald.

5.2.1 Groen

In deze bestemming zijn verschillende groenvoorzieningen mogelijk gemaakt. Naast groenvoorzieningen zijn in deze bestemming nog andere voorzieningen mogelijk, zoals water en paden. Andere, bij de hoofdfunctie horende voorzieningen, zijn ook mogelijk binnen de bestemming. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld nutsvoorzieningen. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de groenstructuren mogelijk. De regeling hiervan is gebaseerd op het (voorheen) geldende bestemmingsplan.

5.2.2 Recreatie - Nautische voorzieningen

De bestemming "Recreatie - Nautische voorzieningen" is toegekend aan de havendam. Op de verbeelding is door middel van een bouwvlak de locatie aangegeven waar het havenkantoor van de Hanzestad Compagnie gevestigd is. De bouwhoogte voor het kantoor is bepaald op 20 meter. Daarnaast is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen voor gebouwen waarbij de bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen.

In de voorschriften is tevens bepaald dat de afstand tussen de onderkant van de vloer van verblijfsruimten in het havenkantoor en het peil van de havendam minimaal 1,5 meter moet bedragen. Op die manier wordt rekening gehouden met toekomstige peilstijgingen van het Markermeer. Voor de uitleg van het begrip ‘verblijfsruimten’ wordt aansluiting gezocht bij de omschrijving in het Bouwbesluit. Toiletruimten, technische ruimten en verkeersruimten (gangen, trappenhuizen e.d.) worden in ieder geval niet aangemerkt als verblijfsruimten.

Ten behoeve van een hotelfunctie met daaraan ondergeschikte functies is een voorwaardelijke afwijkingsmogelijkheid, van de gebruiksregels opgenomen.

5.2.3 Verkeer

De bestemming is volledig bedoeld voor verkeerskundige doelstellingen, daarom worden wegen en straten, voet- en rijwielpaden en daarbij horende groenvoorzieningen (bermen) toegestaan. Dit heeft te maken met het maximaliseren van de gebruiksmogelijkheden van de verkeersfunctie van de weg.

Daarnaast zijn andere bouwwerken, nutsvoorzieningen, water en parkeervoorzieningen mogelijk. Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk. De regeling is gebaseerd op het (voorheen) geldende bestemmingsplan.

5.2.4 Verkeer - Verblijf

De bestemming is bedoeld voor de verkeersvoorzieningen die niet bedoeld zijn voor doorgaand verkeer. Wel vallen hier de kleinere wegen, fiets- en voetpaden en overloopterreinen voor parkeren onder. Daarbij horende voorzieningen als groenvoorzieningen en straatmeubilair vallen hier ook onder. Evenementen zijn ook toegestaan binnen deze bestemming, daarbij gaat het bijvoorbeeld om een botenshow, een oldtimer-show en dergelijke. Het aantal of type evenementen is niet vastgelegd vanwege het incidentele karakter.

Hierdoor is het maximaliseren van de gebruiksmogelijkheden van het verblijfsgebied mogelijk. Door het toestaan van andere functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk. De regeling is gebaseerd op het (voorheen) geldende bestemmingsplan.

5.2.5 Water

De hoofdfunctie van de bestemming is water. Daarnaast maakt de bestemming ook specifiek andere functies/voorzieningen mogelijk, waaronder de al aanwezige aanlegplaatsen en evenementen. Bijbehorende functies als bruggen, steigers en kaden zijn ook mogelijk. Een belangrijke functie van dit water is dat het grotendeels Natura 2000-gebied is. Hiervoor is een specifieke regeling opgenomen.

Door het toestaan van deze functies is flexibiliteit in het gebruik van de gronden met deze bestemming mogelijk. De regeling is gebaseerd op het (voorheen) geldende bestemmingsplan, met uitzondering van de regeling voor de Natura 2000.

5.2.6 Wonen

Het gerealiseerde en de vier geprojecteerde bouwblokken zijn opgenomen in vijf vlakken met de bestemming "Wonen". De bouwhoogte voor de appartementen is bepaald op minimaal 20 meter en maximaal 30 meter. De bouwhoogte voor de grondgebonden stadswoningen is bepaald op minimaal 10 meter en maximaal 20 meter. Deze hoogtes zijn noodzakelijk omdat de bebouwing aan de havenzijde 5 tot 7 bouwlagen zal bedragen en aan de ander zijde vier bouwlagen, terwijl de onderste bouwlaag een minimale hoogte van 4 meter dient te krijgen. De bouwhoogtes zijn in de regels aangegeven.

Het bestemmingsplan biedt ruimte om in de vijf bouwblokken voorzieningen te realiseren, ter plaatse van de aanduiding 'voorzieningen' op de verbeelding. In het voorgaande bestemmingsplan was sprake van een beperking in het aantal m2 dat per functie was toegestaan. Aangezien dit bestemmingsplan flexibeler en globaler van opzet is, is deze beperking niet meer in dit plan opgenomen. Ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen worden de voorzieningen wel beperkt tot de eerste en tweede bouwlaag.

Binnen deze bestemming is tevens een regeling opgenomen voor het uitoefenen van toegelaten aan huis verbonden beroepen in woningen. Voor de beroepen geldt een aantal ruimtelijke criteria en criteria die een goede inpassing in de woonomgeving moeten waarborgen. In bijlage 1 bij de voorschriften is daartoe opgenomen een lijst "Randvoorwaarden aan huis verbonden beroepen".

Voor beroepen die niet worden genoemd, en voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, geldt dat deze worden getoetst aan het "Beleid voor het afwijken van bestemmingsplannen", gepubliceerd op 13 maart 2013 en in werking getreden 14 maart 2013.

Overeenkomstig het huidige beleid is eveneens een bed-and-breakfast regeling opgenomen.

5.2.7 Waterstaat - Waterkering

De bestemming "Waterstaat- Waterkering" is een zogenaamde primaire bestemming. Deze bestemming heeft het primaat boven de andere secundaire bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden binnen deze bestemming, zoals het vergraven van grond of het leggen van kabels en leidingen, is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Uitzonderingen hierop betreft normale onderhoudswerkzaamheden. Voor deze werken en werkzaamheden is geen omgevingsvergunning nodig.

Bouwen of het uitvoeren van werken ten dienste van de secundaire bestemmingen (nautische voorzieningen, verkeer, verkeer & verblijf, water), is alleen toegestaan als de belangen van de betrokken waterkering dit gedogen. Voordat vergunning wordt verleend dient de betrokken beheerder van de waterkering te worden gehoord. Tevens is een vergunning op grond van de Keur van het Waterschap noodzakelijk.

5.2.8 Leiding - Riool

De dubbelbestemming Leiding - Riool ligt op de bestaande rioolpersleiding nabij de Musemweg en het Bataviaplein. Het doel van deze bestemming is het beschermen van de bestaande rioolpersleiding. De beschermende regeling is opgenomen om werken en werkzaamheden te voorkomen die afbreuk doen aan het doelmatig en veilig functioneren van de persleiding.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijk

6.2 Inspraak

Het houden van inspraak is op grond van de Wet ruimtelijke ordening niet (meer) verplicht. Wel schrijft de Inspraakverordening Lelystad 2008 nog voor dat inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid; in de inspraakverordening ook is bepaald dat inspraak niet nodig is voor ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen. Toch is bij dit bestemmingsplan inspraak aan de orde. Het plan is vrijwel bestendigend en laat in de aard geen planologische veranderingen ten opzicht van het (voorheen) geldende bestemmingsplan zien.

Echter rekening houdende met de gemeentelijke opstelling inzake participatie door bewoners en wijken in diverse processen die de bewoners (en overige belanghebbenden) aangaan, is de inspraakfase bij uitstek het moment om informeel te weten te komen “hoe een bestemmingsplan valt”. Dan is niet sprake van juridische opstellingen, maar van – waar nodig - overleg met elkaar. Vervolgens valt te concluderen of, en zo ja welke, punten nader beschouwd dan wel aangepast kunnen of dienen te worden.

Het voorontwerp bestemmingsplan Bataviahaven 2015 is gepubliceerd in de Flevopost van 11 maart 2015 en heeft vervolgens van 12 maart t/m 22 april 2015 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn bestond gelegenheid voor het indienen van inspraakreacties over dit bestemmingsplan. Inspraakreacties zijn niet ontvangen.

6.3 Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is op 25 februari 2015 aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg (artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening):

  • Rijkswaterstaat Midden - Nederland
  • Provincie Flevoland
  • Brandweer Flevoland
  • Dijkgraaf en Heemraden van het Waterschap Zuiderzeeland

De instanties zijn in de gelegenheid gesteld om vóór 15 april 2015 in het kader van het vooroverleg te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan. Reacties zijn niet ontvangen.

6.4 Zienswijzen

Na het vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage. Een ieder is daarbij in de gelegenheid schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op alle stukken naar voren te brengen. Eventueel ingediende zienswijzen worden voorzien van een passend antwoord. Naar aanleiding van de zienswijzen vinden waar nodig aanpassingen aan de stukken plaats.

6.5 Vervolg

Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

6.6 Economisch

Het vaststellen van een exploitatieplan ex artikel 6.12, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is bij dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan geeft slechts een actualisatie van een bestaande planologische regeling. Bouwplannen voor nieuwe planologische ontwikkelingen, ten opzichte van het (voorheen) geldende bestemmingsplan, worden in dit bestemmingsplan niet voorzien. De grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.